maandag 14 november 2016

NOT DEAD YET






Ik mag het natuurlijk geen toeval noemen dat ik op ze stuit. Of serendipiteit. Alles wordt immers door de algoritmen van het wereldwijde web bepaald. Laat ik het dan zo postuleren: de algoritmen zijn mij gunstig gezind. Plotsklaps word ik via Youtube het bandje Slaves gewaar. Normaal gesproken haak ik af op het moment dat er onderaan een clip op Youtube “Vevo” in beeld verschijnt. “Vevo” staat voor: te gelikt, te mainstream, Ve(el)vo(orkomend), kan nooit wat wezen en in dit geval – gezien het uiterlijk van de jongetjes – voor boyband. Toch neem ik – de algoritmen zijn gedankt – de moeite wat langer te luisteren. Wat horen mijn oren? Rap. Maar te pruimen rap, want ondersteund door stevige drum en basgitaar, met een reuze prettig tempo erin. Dit is de boyband die de uitzondering op de boybands is. Dat zal toch wel even wezen. Twee jongetjes uit Kent, Engeland, die als duo een muur van geluid optrekken. Je reinste rapgrunge. Audiobullys on amphetamines.

De jongetjes zien er nog leuk uit ook. De drummer lijkt een beetje op Robbie Williams en staat heel stoer achter zijn drumstel, met ontblote – brede – borstkas. Echte drummers gaan pas zitten als ze de vijftig zijn gepasseerd. Tot die tijd behoren drummers te staan. De basgitarist zit. Helemaal onder de tatoeages. Verder staat hij. Basgitaar te spelen. Tijdens zijn meest swingende riffs met zijn rug naar het publiek. Dan beweegt hij als een volleerd sekssymbool met zijn heupen heen en weer. Als ik een meisje van 16 jaar oud was, zou ik posters van Slaves aan mijn slaapkamermuur hebben hangen. Had ik dezelfde fysieke appetijt gehad als toen ik nog een jongeman was, dan zou ik me in mijn meisjesbed ook zeker onzedig beroeren. Bij een optreden zou ik zo ver mogelijk vooraan staan en misschien wel flauwvallen. Of verdrukt raken.

Aangezien ik een volwassen man van 47 ben, die geen posters meer aan de muur hangt, maar slechts nog te betalen rekeningen aan de wand pal naast zijn bureau, besluit ik mijn enthousiasme te beperken tot ervoor zorgen bij het volgende optreden van de band in Nederland aanwezig te zijn. Tenzij dat optreden op een festival zal plaatsvinden, want op festivals krijg ik een overdosis medemens toegediend. Ik zal mijn oud-buurman – hij telt reeds 57 levensjaren – vragen of hij meegaat om er for old times' sake de jongere uit te hangen. Eens in de zoveel tijd doen wij dat gezamenlijk, een optreden bezoeken van een band die luide rockmuziek ten gehore brengt. Iets volkomen anders dan avond aan avond bier drinken en darten totdat je gedwongen bent een hand voor één oog te houden, omdat je anders minstens twee dartborden ziet, zoals wij jaren her onze tijd plachten door te brengen. Wat dat betreft hebben wij beiden enige positieve culturele ontwikkeling doorgemaakt.

Wij zullen ons niet mengen in het gedruis vooraan het podium. We zijn immers geen meisjes van 16. Vanuit de luwte op het balkon zullen we toezien en -horen dat er met de jeugd van vandaag niets mis is. Wij zullen om beurten naar de bar lopen om telkens twee vloeibare versnaperingen mee terug te brengen. Wij zullen elkaar af en toe aankijken, naar elkaar grijnzen en knikken. Jongens zullen we zijn, nog steeds. Jongens van 47 en 57. Zelfs de geijkte oudere jongere met het Ramones-shirt zullen we met rust laten. We zullen hem niet vragen of hij niet wat origineels had kunnen aantrekken. Iets met Che Guevara erop, of zo. Ook zullen we hem niet van twee zijden synchroon een hard knietje op zijn beide dijbenen toebedelen. Hoewel we jongens zijn, zullen we ons als gentlemen gedragen. We kieperen hem dus ook niet over de reling van het balkon. Dat kunnen we echt niet maken. Het staat daar beneden vol mensen die voor Slaves zijn gekomen, in plaats van voor een oudere jongere in een Ramones-shirt, zo'n geitenbreier die nog van voor de algoritmen dateert en die dan ineens van bovenaf ongevraagd in hun nek komt ploffen.

Waarom toch moet er bij optredens van hedendaagse rockbands altijd zo'n hippie in een shirt van Ramones paraderen met een poeha alsof hij zelf de enige overlevende van die familie is? Leuk bandje, hoor, de Ramones, daar niet van. Maar mooi dat ze allemaal dood zijn. Dat hebben zelfs die sukkelaars van de Beatles niet voor elkaar gekregen. Daar leeft de helft nog van. Papa en mama Ramone moeten er een genetische knoeiboel van hebben gemaakt, waar zelfs de algoritmen steil van achterover slaan. Alle zestien broertjes Ramone zijn inmiddels overleden: Joey, Deedee, Johnny, Walter, Ricky, Herbert, Frank en Ronald Ramone; Willy en René Ramone; Suske en Wiske Ramone; de Olijke Tweeling Ramone en Jansssen & Janssen Ramone.

Nou ja. Over de doden niets dan goeds verder. Dat zij in vrede mogen rusten, en zo. We hebben hier en nu sowieso geen tijd om om te zien, want beneden op het podium is een nieuwe lichting bezig. Het leven gaat verder.
I love you more when you're angry with me, 'cause you're so boring when you're nice,” zingt de drummer, onderwijl op zijn pauken raggend. Wij zien en horen dat het goed is. En: “Cheer up, London. It's not that bad. Cheer up, London. You're already dead and it's not that bad.”
Die track wordt wel beschouwd als hét Brexit-anthem bij uitstek.


Als Slaves een direct gevolg zijn van de Brexit, wens ik de wereld nog vele Brexits toe. Zonder gezeik over kinderfeestjes met figuren die op slaven lijken. Was ik Brits geweest en las ik dat ze zich daar in Europa druk over maakten, dan zou ik ook Brexit willen.

donderdag 29 september 2016

RECENSIE - DE HEROÏNEPROSTITUTIE (roman door Dirk Bolier)

Hoewel de titel, De Heroïneprostitutie, anders zou kunnen doen vermoeden, betreft het boekwerkje van auteur Dirk Bolier niet een realistisch journalistiek relaas, maar een novelle. Hoewel de verhaalsoort novelle zich vanwege de beperkte omvang wellicht hiervoor wat minder goed laat lenen dan een roman, is er in zekere zin toch sprake van een coming of age-verhaal. Een coming of age die niet verveelt door de voorspelbare weg van jeugd naar volwassenheid te beschrijven, maar een weergave is van een hortend en stotend bestaan aan de zelfkant van de samenleving. Uiteindelijk resulteert dit bestaan in de ultieme leeftijd die wij allen bereiken: de dood van één beider hoofdpersonen en een – door totale onverschilligheid van diens partner getekend – open einde van de andere protagonist.

Daarnaast is De Heroïneprostitutie een liefdesgeschiedenis. In het openingshoofdstuk wordt de adolescent Tom uit het ouderlijk huis gezet. Hij neemt zijn intrek in een ranzig, slecht schoongehouden hotel. In een kroeg ontmoet Tom Denise. Zij biedt hem aan bij haar te komen wonen. Ze blijkt in een gribus te leven. Inpandig houdt zij haar woning echter netjes en op orde. Gedurende de gehele novelle noemt Bolier haar onderkomen consequent 'het huisje'. Deze aanduiding wijst erop dat – ondanks alle stevig onalledaagse voorvallen – er tóch sprake is van een thuishaven.
   Al in het eerste hoofdstuk blijkt dat Denise een aap op haar rug heeft: ze gebruikt heroïne. Tom doet haar verslaving bijna schouderophalend af en vergoedt die door zichzelf voor te houden dat 'het huisje' op orde is, ze de smack niet spuit maar rookt en dat ze de mate van haar gebruik binnen de perken weet te houden, zoals hij zijn alcoholinname tot zes blikken bier per dag weet te beperken.
Snel blijkt dat Denise niet slechts heroïne gebruikt, maar ook de hoer speelt om in haar verslaving te kunnen voorzien. Zelfs met het feit dat zij haar klanten thuis ontvangt, heeft Tom een soort vrede. Van zijn salaris kunnen beiden nu eenmaal niet leven. Hij heeft zich inmiddels zelfs dusdanig in 'het huisje' gesettled dat hij ook regelmatig haar kleren draagt. Bijkomend voordeel is dat hij zo niet de knieval hoeft te maken om zijn eigen kleding in zijn ouderlijk huis op te halen. Met het beeld van Tom bier drinkend op de bank, terwijl Denise in de slaapkamer een klant afwerkt, schetst Bolier een milieu van totale verloedering. Toch verliezen beide weirdo personages gedurende het verhaal bijna nergens geheel hun menselijkheid, getuige bijvoorbeeld de zin: 'De weliswaar niet alledaagse situatie had vreemd genoeg rust in het huisje gebracht.' Ze hebben het zelfs over het op de wereld zetten van een kind.
   In het hoofdstuk Dichter roken Tom en Denise voor het eerst samen heroïne. De titel slaat zowel op het nog dichter naar elkaar toegroeien door de smack te delen, als op het feit dat Tom een poëziewedstrijd wint. Na het winnen van die wedstrijd komt voor het eerst in de novelle zijn paranoia naar voren, die zich uit in zowel hoogmoed als achterdocht. Hij is er van overtuigd dat ze rijk zullen worden van zijn schrijverij en hij is zéér gespitst op mensen die zijn werk willen plagiëren. Zijn aftakeling vervolgt in het zich ziek melden van zijn werk wegens een conflict met een projectleider. Zijn pogingen poëzie te schrijven ontaarden dan in het botweg aan het papier toevertrouwen van één bonk frustraties. Als hij in een vlaag van geestelijke helderheid besluit de gedichten weg te gooien, noemt Denise dat kortweg 'verstandig'. Op het moment dat die conclusie uit haar mond rolt, zit ze juist op de bank heroïne te roken. Een fraaie contradictie. De heroïnegebruikster is inmiddels de verstandigste van de twee. Het tekent de afhankelijke positie waarin Tom zich heeft gewrongen, zonder dat hij dit zelf door lijkt te hebben.
   Het stel is aan vakantie toe. Dat wordt lekker weg in eigen land, want de grens over gaan zou betekenen dat ze heroïne moeten smokkelen. Wederom komt het verwekken van een kind ter sprake. De nakomeling zal de problemen van beiden oplossen, zo lijkt het wel. Als ze er dieper op ingaan, laat Tom zijn twijfels blijken of hij zich wel wil voortplanten. Denise geeft toe dat ze al een dochter heeft, maar dat die vanwege haar verslaving uit huis is geplaatst.
Terug van vakantie geeft Tom het zoeken naar een baan al snel op. Hij start een carrière als gigolo en verdient daarmee – én door list en bedrog – zoveel dat het paar de gevolgtrekking maakt dat het nu ook financieel mogelijk is de liefde met een huwelijk te bezegelen. Tijdens de huwelijksvoltrekking zijn slechts twee toeschouwers aanwezig. Een van de twee blijkt Denises dochter Iris te zijn.
Tom en Denise besluiten af te kicken. Als hun behandeling slaagt, zullen ze deels de voogdij over Iris krijgen. Beiden hebben het zo weten te regelen dat ze voor onbepaalde tijd een arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben gekregen. De periode in de afkickkliniek verloopt eerst voorspoedig, maar na een terugval besluiten ze de open instelling te verlaten. Toch is ook deze beslissing niet de inleiding tot compleet verval. Ze weten nog de realiteitszin op te brengen de leiding van het Iris' kindertehuis direct op de hoogte te brengen.

Eenmaal terug in 'het huisje' krijgen Tom en Denise als een deus ex machina ineens een oud-collega van Denise op bezoek. Het bezoek ontaardt. Om plot spoiling te voorkomen, zal ik nalaten te vertellen hoe het bezoek ontaardt.

(De Heroïneprostitutie is uitgegeven door Uitgeverij Free Musketeers)

vrijdag 29 juli 2016

'S LANDS WIJS; 'S LANDS EER



44% van de Nederlanders voelt zich onveiliger sinds de ontdekking van exoplaneet Kepler 22b, blijkt uit een onderzoek van Maurice het Keffertje. De grootste angst is dat naast Marsmannetjes nu ook Kepler 22b-mannetjes uitgerekend Nederland als plaats van bestemming op planeet Aarde zullen uitkiezen. Dit vanwege het relatief hoge levenspeil en het vrij gunstige maritieme klimaat. Grootste angst is dat Kepler 22b-mannetjes verdringing op de arbeidsmarkt zullen veroorzaken. Daarnaast vertrouwt men het testosterongehalte van de exoplaneetbewoners niet.

Geert de la Tourette liet bij verschijning van zijn woordvoerder Twitter weten dat Nederland de grenzen voor Kepler 22b-mannetjes bij voorbaat gesloten dient te houden en dat de exoplaneet voorlopig ook niet een volgend lid van de Europese Unie mag worden. Links geweten der natie Maarten van Rossem denkt dat het allemaal zo'n vaart niet zal lopen: “Als Kepler 22b-mannetjes Nederland wat dichter zijn genaderd en doorkrijgen dat het Nederlandse leger als defensief en geopolitiek middel De Toppers kan inzetten, zullen ze linea recta omkeren en tot het einde van het heelal niets meer met ons zonnestelsel te maken willen hebben,” aldus de smoezelige corpulente televisiekabouter. Johan Derksen wil dat Danny Blind plaatsmaakt voor de bondscoach van Kepler 22b. Mart Smeets denkt dat een genaturaliseerd Kepler 22b-mannetje weleens de eerste Nederlandse Tour de France-winnaar sinds Joop Zoetemelk zou kunnen worden. Kim Holland is zich al aan het uitkleden.

dinsdag 7 juni 2016

HYPOCHONDER



Ik hoefde slechts van Rotterdam naar Breda. Ik was echter zo dom de Sprinter te nemen. Dat betekende dus dat de trein op ieder tussengelegen station stopte. Tot overmaat van catastrofe hield de Sprinter op elk station langer dan vijf minuten halt. Dat stoptreinen soms iets langer blijven staan om intercity's langs te kunnen laten razen, was me bekend. Maar dit begon op te vallen. Met deze Sprinter was iets goed mis. Anders zou het vervoermiddel niet telkens langer dan vijf minuten moeten uitblazen om weer op adem te komen. Deze Sprinter mankeerde echt iets. Dit leek op aan dodelijkheid grenzende vermoeidheid.

Ik dacht direct aan aids. Ik zat in een Sprinter met aids. Bij het binnenrijden van de Sprinter op Rotterdam CS was me in eerste instantie weinig opgevallen. Het was niet een roze gekleurde Sprinter. Ook kwam de trein niet begeleid door opzwepende beats en gehuld in tanga voor het perron aanmeren. Daarnaast zag ik geen ziekte verradende, gore huidkankerachtige zwarte bulten op de huid van de trein. Wél meende ik aan zijn motoriek te hebben gezien dat ik met een nogal wufte, enigszins nichterige Sprinter van doen had. Ik kan moeilijk beschrijven wat het precies was, maar zijn manier van het station binnenrijden klopte niet helemaal. Het zou kunnen dat ik de Sprinter naar de 'rookpaal' genoemde fallus op het begin van het perron had zien lonken.

Aangezien ik niet homofoob ben, had ik zonder verder ergens over na te denken plaatsgenomen, maar nu viel het kwartje: dit was een Sprinter die zijn neigingen niet kon bedwingen en die zich buiten werktijd ophield op homo-afwerkplaatsen. En natuurlijk had de onderhoudsdienst van de Nederlandse Spoorwegen – NedTrain, heet die tegenwoordig – altijd nagelaten zijn materieel periodiek op aids te testen. Zo zijn ze nu eenmaal bij de NS: als ze iets na kunnen laten, zullen ze het niet laten. Behalve het bouwen van overbodige kantoorgebouwen. Daar hebben ze bij de verzelfstandiging destijds de tak NS Vastgoed voor opgericht. Wat is er immers logischer dan een vervoersbedrijf stenen te laten stapelen?

Laat ik niet afdwalen. Ik zat hier in een probleem-Sprinter. De oorspronkelijke HIV-infectie had vanwege het feilen van de onderhoudsdienst NedTrain niet geremd door aids-remmers in het innerlijk van de stoptrein kunnen voort woekeren. Ze had zich kunnen ontwikkelen tot het zogenoemde full blown aids. Dat had ik weer. Zat ik eens in een trein, was het een trein met compleet ontwikkelde aids. Nog een geluk dat zich in Sprinters geen toiletten bevinden, anders was ik misschien nog blootsbips op een wc-bril gaan zitten. Er trok een huivering vanaf scrotum, via bilnaad, onderrug en ruggengraat tot in mijn hersenen, alwaar zich mijn bewustzijn pleegt op te houden. En dat bewustzijn zette mijn ratio aan het werk.

Hoewel ik op geen enkele wijze seks met de Sprinter had bedreven, vertrouwde ik de situatie bepaald niet. Ik had namelijk wél met mijn in spijkergoed gehulde bilpartij bovenop de naakte stoelbekleding gezeten. En uit de hoek van de spoormedische wereld blijft het nu eenmaal sinds jaar en dag angstwekkend stil over de aids-bestrijding onder treinmaterieel, Sprinters in het bijzonder. Sterker: nergens lees of hoor je eens iets over hoe je als rechtop staand zoogdier aids of een andere overdraagbare aandoening van onderling contact met een trein kunt oplopen. De mensheid wordt op dit vlak geheel in het ongewisse gelaten.

Ik ben er ongeveer heilig van overtuigd dat Richard Trevithick, de uitvinder van de stoomlocomotief, achter het uitblijven van welke medische verklaring dan ook zit. Trevithick werd aan het eind van de achttiende eeuw geboren in Tregajorran, een gehucht in het Engelse Cornwall. Als bewoners van Tregajorran ergens in uitblonken, was het in jaloezie. Trevithick moet hebben voorzien dat de stoomtrein ooit achterhaald zou zijn en zou worden vervangen door het elektrisch aangedreven exemplaar. De gedachte eraan zou hem weleens tot de grens van waanzin en soms eroverheen gedreven kunnen hebben. Ergens moet hij toen hebben laten vastleggen dat het de spoormedische wereld verboden zou zijn in te grijpen bij materieel dat aan catastrofale aandoeningen onderhevig was. Hoe verklaart u anders al die vertragingen op het Nederlandse spoornet? En dat gezeik met de Fyra kwam zeker ook zomaar uit de lucht vallen? Ja ja, noem mij een complottheoreticus en blijven jullie zelf lekker per trein reizen.


Deze week zal ik bij mijn huisarts langsgaan om me te laten doorverwijzen en dan te laten testen op soa's, aids in het bijzonder. Daarna ga ik zo snel mogelijk mijn rijbewijs halen.

zondag 29 mei 2016

OVERAL COMPLOT





Na het onderwijs wil nu ook het korfbal af van de zesjescultuur. Aangezien korfbal een gemengde sport is, waaraan zowel mannen als vrouwen deelnemen, zouden bondsbonzen van de Nevobo graag zien dat het draaien van zesjes voorafgaand aan het mikken van de bal op de korf zou worden ingeruild door standjes negenenzestig, na afloop van de wedstrijd in de kleedkamers. Het argument dat bestuurders van de Nevobo, de Nederlandse volleybalbond, niet zo veel met korfbal te maken hebben, wordt eenvoudig terzijde geschoven. 'Korfbal, volleybal, basketbal. Het maakt niet uit,' aldus een woordvoerder. 'We zijn allemaal geperverteerde handsmakers, die nu eenmaal nergens met hun handen vanaf kunnen blijven. Uit didactisch oogpunt is het dus waarschijnlijk alleen maar verstandig de korfballers en -sters zich meer op het orale dan manuele element binnen de sport te laten concentreren. De zesjescultuur zouden wij dus graag vervangen zien, door de negenenzestigjescultuur. Dat wij als Nevobo eigenlijk helemaal niets met het korfbal te maken hebben, wil nog niet zeggen dat wij onze inzichten niet te berde zouden mogen brengen. Alles ter meerdere eer en glorie van de sport in zo breed mogelijke zin. Pas als het gaat om potjes halma houden wij als Nevobo ons op de vlakte.' 

Op de vraag of de geruchten over de vermeende complete verloedering van het halma door matchfixing oorzaak zijn van het zich gedeisd houden, gaf de Nevobo-woordvoerder geen commentaar. Wel vertelde hij die ochtend wakker te zijn geworden naast een afgesneden paardenhoofd, terwijl zijn vrouw in geen velden of wegen te bekennen was, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat maffiose organisaties hun tentakels hebben uitgeslagen richting korf- en/of volleybalsport. Bij de basketbalbond was sowieso niemand voor commentaar bereikbaar, zo meldde de woordvoerder van die bond off the record. Hij drong er bij de verslaggever op aan de Engelse omschrijving off the record te handhaven, daar basketbal oorspronkelijk een uit de Verenigde Staten afkomstige sport is en het Engels in de VS nog immer als officiële voertaal geldt. De basketbalbondwoordvoerder gaf - nog steeds off the record - toe dat de Amerikaanse geheime diensten inmiddels onderzoek doen naar vermeende betrokkenheid bij 9/11 van de Nederlandse korfbalclub Allen Weerbaar, aangezien die verenigingsnaam nogal wat weg heeft van Allah Akbar. Op de vraag of er afbeeldingen mogen worden gemaakt van in de korfbalcompetitie van de Negev-woestijn gedraaide zesjes moest hij het antwoord schuldig blijven. Hij volstond met het commentaar: 'Alleen de zandkorrels weten het.'

zaterdag 30 april 2016

HAAR VAN CUYPERS



Architect Pierre Cuypers was verantwoordelijk voor de ontwerpen van onder (veel) meer het centraal station en Rijksmuseum te Amsterdam én Kasteel de Haar te Haarzuilens. Bovenal zou hij echter de geschiedenis in gaan als de uitvinder van de hipsterbaard. Een gezichtsbeharingsdracht die begin jaren zeventig van de vorige eeuw werd geherintroduceerd door de zich "Vader Abraham" noemende Pierre Kartner. Kartner ontwierp weliswaar geen architectonische iconen, maar het was hem wél gegund om als een van de zeer weinige mensen op deze aardbodem samen op te treden met kleine blauwe wezentjes, genaamd 'De Smurfen'. De Smurfen waren veelal uniform geklede en zéér op elkaar gelijkende schepseltjes, die weldenkende mensen het bloed vanonder de nagels haalden met hun irritant stemgeluid. Eén van De Smurfen permitteerde het zich door het leven te gaan met de door Cuypers ontworpen hipsterbaard. Hij werd 'Grote Smurf' genoemd. Grote Smurf onderscheidde zich niet slechts wat betreft baard van de overige Smurfen. Waar zijn medeschepselen een witte muts en broek droegen, waren deze kledingstukken in het geval van Grote Smurf rood.

Pas aan het begin van het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw kreeg Cuypers' gezichtsbeharingsdracht opvolging binnen brede lagen van de bevolking, die uit sociaal-maatschappelijk oogpunt voor het gemak (en dus uit luiheid) werden geschaard onder de verzamelnaam 'hipsters'. Cuypers' opvolger als Nederlands sterarchitect, Rem Koolhaas, zou zich tot aan zijn dood rebels blijven afzetten tegen zijn voorganger en ongeveer geheel haarloos door het leven gaan.


(Bron: dat spul in mijn hoofd genaamd 'hersenen')

woensdag 29 juli 2015

DE WONDERE WERELD



'Welk versierdier ben jij?' wordt mij op de website van het populair wetenschappelijk, onmiddellijk naar de papierbak dirigeerbaar tijdschrift Quest gevraagd.

'Ik ben het versierdier dat op een vrouw afstapt met de vraag of zij de chemische samenstelling kent van het best werkzame brandwerend impregneermiddel ter wereld en of zij weet waarom een behandeling van het hout in een vacuümtank veruit te verkiezen is boven dompelen of sprayen, teneinde de voorgeschreven hoogste norm EN 13501-1 brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen te behalen,' dien ik van repliek.

'Jij bent een ijsvogel,' krijg ik als antwoord. 'Net als de ijsvogel weet jij je partner-in-wording wel te verwennen. IJsvogels zien er niet alleen prachtig uit, de mannetjes verrassen het vrouwtje waar ze wat mee willen met een visje. Dit cadeautje heeft een diepere betekenis: de vogel laat ermee zien hoe goed hij kan jagen en dus hoe goed hij straks voor de jongen kan zorgen. Bij mensen is het niet zo zeer de gang naar de visboer waarmee we indruk willen maken, het is eerder de juwelier die er zijn voordeel mee doet.'


Zo had ik er nog nooit over nagedacht, maar wie weet zit er wat in. Al ben ik persoonlijk niet zo zeer van de gang naar de visboer, noch van die naar de juwelier, als wel meer van die naar de snackbar om terug te keren bij het vrouwtje met een heerlijk frikandelletje speciaal.