donderdag 25 januari 2024

CHEF

 


's Nachts treft de ongedurigheid me. Ik heb overdag slechts twee flessen wijn gedronken. Te weinig. Dat moeten er minstens vier zijn om een tevreden gevoel aan de alcoholinname over te houden. Ik besluit lege flessen in een plastic tas te stoppen en naar de glascontainer te lopen. Ik weet dat het in de buurt van woningen geen pas geeft om midden in de nacht je flessen te dumpen. Soms nemen impulsen de overhand boven gezond verstand.

In de bijna uitgestorven Witte de Withstraat is er natuurlijk weer een gast die mij ongevraagd met 'vriend' of 'chef' aanspreekt. Het veel te amicale "Alles goed?" blijft dit maal achterwege. Zoals gewoonlijk antwoord ik chagrijnig en loop door. Chef heeft een tas lege flessen in zijn handen. Het is ronduit onverstandig je daarmee in aanraking te laten komen. In de container maken de flessen een opvallende pleurisherrie. Het lijkt of die afvalstort grotendeels leeg is, waardoor het geluid extra resoneert. Gelukkig is het inmiddels zo laat dat er nergens een verstoorde bewoner licht aanklikt of - vervelender nog - verhaal komt halen.

Als ik vanaf de container terug loop naar mijn woning, zie ik de 'chef'-aanspreker weer staan. Ik negeer hem en gelukkig houdt hij nu netjes zijn muil. Ik ben kennelijk voldoende duidelijk geweest.

Thuis in bed lig ik ongedurig wakker. Het gaat nog uren duren voordat de supermarkt opent en ik weer wijn zal kunnen aanschaffen.

Verbaasd ontwaak ik om tien uur. Het is me dus toch gelukt nog in slaap te komen. Daar had ik niet op gerekend. De gang naar Albert Heijn is niet prettig. Katerparanoia, een verstoord evenwicht en afgenomen coördinatie werpen roet in het eten. Niet onoverkomelijk; wel hinderlijk. Een bezoek aan de grootgrutter is broodnodig om twee flessen Sauvignon Blanc aan te schaffen. Van geheelonthouding kan momenteel geen sprake zijn. Dan moeten ze me eerst een tijd opsluiten in een kliniek. Wat dat betreft laat GGZ het echter stevig afweten. Deze keer scan ik netjes alle boodschappen. Zo secuur ben ik niet altijd geweest, maar ik krijg de indruk dat supermarktpersoneel de laatste tijd beter op de qui vive is.

Thuis constateer ik dat afgerekende wijn toch een fractie minder goed smaakt dan onbetaalde wijn. De roes die de drank oplevert, is overeenkomstig.

woensdag 8 november 2023

EEN FLUITJE VAN EEN CENT


Men zegt weleens dat men de muren op zich af zag komen. Hoewel ik al een week thuis zit, voel ik mezelf geenszins in die situatie verzeild geraakt. Ik heb dan ook niet daadwerkelijk een week lang thuis in de volcontinu eenzaamheidsdienst doorgebracht. Bijna dagelijks ben ik de deur uit gegaan om boodschappen aan te schaffen. De muren op mij af hebben zien komen zou ik tot daar aan toe hebben gevonden. Ik zou het als ronduit onprettig hebben opgevat de muren op mij af te zien komen, terwijl ik tegelijkertijd honger leed. En als ik het over 'honger' heb, bedoel ik honger. Dat u mijn honger niet verwart met trek. Trek is een pak gevulde koeken aanschaffen en er één, misschien twee uit eten. Honger is een pak gevulde koeken kopen, dat leeg eten en tot de conclusie komen dat je eigenlijk best trek in nog een gevulde koek hebt.

Maar ik zie de muren dus niet op mij afkomen, noch lijd ik honger, want ik heb al zes gevulde koeken gegeten. Desalniettemin vind ik dat het tijd is mij eens onder anderen te begeven. Ik besluit de deur uit te gaan, zonder doel voor ogen. Ik ga een eind lopen en zal vanaf buiten zien waar zich mensen ofwel inpandig bevinden, ofwel aanstalten maken ergens naar binnen te gaan. Ik zal socialiseren. Mij desnoods in een mêlee wagen.

Ik hoef nog geen tien minuten te wandelen of ik zie verscheidene mensen de ruimschoots verlichte entree van De Doelen binnen gaan. Ik sluit me bij hen aan. Dat is een mooi resultaat. Zonder doel vertrekken en binnen tien minuten De Doelen op een presenteerblad krijgen aangeboden. Bij binnenkomst word ik niet gefouilleerd, noch wordt mijn rugzak op de aanwezigheid van wapens of ongewenst meegebrachte etens- en drinkwaren gecontroleerd. Mooi, zo ben ik niet gedwongen mijn meegenomen flesje water al direct leeg te drinken. Via een trap en een horecaruimte, die ik slechts als kruip-door-sluip-doorroute benut, beland ik in hetgeen de concertzaal moet zijn. Ik schat dat het publieksdeel van de zaal voor de helft gevuld is. Er zal muziek worden gespeeld. Muziek, de enige herrie waarvoor ook nog betaald dient te worden, heb ik eens ergens gelezen. In dit geval hoeft er niets te worden betaald; er is van een toegangsprijs geen sprake. Het publiek wordt in staat gesteld het herrieprogramma gratis tot zich te nemen.

Het valt me op dat iedere bezoeker, niet één uitgezonderd, met iemand anders in gesprek is. Het lijkt wel een sociaal event. Een nadeel hiervan is dat ik me verloren voel, het benadrukt mijn teruggetrokken bestaan. Waar ik voorheen in gevallen van verlorenvoelendheid direct op mijn schreden zou zijn weergekeerd en naar huis zou zijn gegaan, monster ik nu eerst mijn omgeving. Bekenden zie ik niet, wat niet verwonderlijk is, want die heb ik nauwelijks. Er bestaan op deze planeet wél mensen die ik ken, van naam. Op de sociale media komen foto's voorbij, vergezeld van een naam. Het gebeurt dat ik de naam onthoud en het daarbij behorende gezicht. Die mensen ken ik dan dus. Tot nu toe ben ik nog niemand uit dit niet al te wijd uiteenlopende contingent tegengekomen.

Ik kijk om me heen om te zien of ik tijdens de muziekvoorstelling ergens kan zitten. Kennelijk is zich op de billen vlijend publiek niet de bedoeling. Al het zitmeubilair staat opeengestapeld tegen de verre muur tegenover het podium. Zo is extra staruimte voor toehoorders gecreëerd. In weerwil van die toegenomen ruimte voel ik mij bekropen raken door claustrofobie-light. Een paniekaanval ligt nog niet op de loer, maar van een je ne sais quoi, dat ik nu niet beter kan omschrijven dan verlorenvoelendheid in een semi-mêlee, is sprake.

Er zit weinig anders op. Als ik me niet gedwongen wil voelen weer op huis aan te gaan, moet ik tegen het gestapeld meubilair klimmen en daar bovenop gaan zitten. Dat brengt het gevaar met zich mee dat ik de aandacht op me zal richten, dat moet dan maar. Wat zouden alle ineens op mij gerichte blikken van het gehele publiek, vingers in mijn richting, getier, gescheld, gevloek en alle zaalspots mij uitlichtend mij voor kwaad kunnen berokkenen? Zo lang men zijn handen thuis houdt, niet fysiek wordt, is er niets wat me kan deren. Ja, ik zou dusdanig niet meer kunnen weten waar ik het zoeken moest dat ik flauw zou vallen. Ik zou me dermate ongemakkelijk kunnen gaan voelen dat ik zwaar zou gaan hyperventileren. Ik zou een hartinfarct kunnen krijgen en ter plekke sterven. Maar wat zou dat? Dood zou ik toch ooit gaan. Vergeleken met de uitgestrekte maten van het universum valt nu de moord steken of veertig jaren later sterven in het complete niet. Dat brengen ze tegenwoordig heel mooi in beeld met nieuwe telescopen, die uitgestrektheid. Zie ik thuis weleens op internet. Dat schijnt allemaal best wel ver weg te zijn. Ik heb het met Streetview proberen op te zoeken. Vergeefse moeite.

Niet van dat benauwde. Ik werp mijn rugzak bovenop de gestapelde zitmeubels en klim er zelf achteraan. Zoals men het tegenwoordig formuleert om wilskracht te benadrukken en eerder geuite bewoordingen kracht bij te zetten: 'dat dus'.

Als ik me heb omgedraaid en de zaal in kijk, val ik bijna flauw van teleurstelling. Ik heb een probleem: er is niet één persoon die ook maar mijn richting op kijkt. Het interesseert kennelijk helemaal geen mens dat er iemand uit hun midden zojuist het gore lef heeft weten op te brengen een doelbewust opgestapelde verzameling zitmeubilair te beklimmen. Die verschrikkelijke collectieve onverschilligheid. Het lijkt wel alsof bezoekers hier voor de praatjes met elkaar en – wellicht – de muziek komen.

Juist op tijd dringt het tot me door dat ik niet moet denken in teleurstellingen en problemen. Ik moet uitgaan van uitdagingen en kansen. Dat heb ik mezelf ooit aangeleerd. Tenminste, de eigenaar van de snackbar waar ik vaak kwam, heeft me dat bijgebracht. 'Uitdagingen en kansen, verder niks,' zei hij dan. En verdomd. Je proefde het niet alleen aan zijn patat. Ook aan zijn frikandellen en nasischijven. 'Uitdagingen en kansen. Verder niks.' Hoogstens verder mayonaise, currysaus en uitjes op de frikandel.

Wicky de Viking haalde – als hij met teleurstellingen en problemen werd geconfronteerd – zijn wijsvinger een aantal maal langs en onder zijn neus en zei dan opgetogen: 'ik heb het!' Ik word vergast op een vergelijkbare Aha-erlebnis. Nu ik van bovenaf zicht op de zaal en het publiek heb, kan ik foto's maken. En als ik achteraf mensen van wie ik de naam ken op de afbeeldingen tref, kan ik de prenten op de sociale media plaatsen en iets doen wat ik nooit eerder heb gedaan: ik kan de afgebeelde personen taggen. In the future everyone will be famous for fifteen minutes? Make that the cat wise. Forget about it. Nowadays everybody will be tagged at least once. Zie daar uw luttele seconden roem. De tag. Elke aardbewoner zijn imaginair standbeeld. Of duizenden imaginaire standbeelden. Als men wat vaker wordt getagd. Bij mijn weten ben ik zelf nog nooit getagd. Tenminste, mij is op de sociale media nog nooit taggerij met mijn naam erbij vermeld gewaar geworden.

De muziek dringt niet tot me door. Ik maak foto's van het publiek. Als ik naar de realiteit kijk, zie ik geen enkele bekende. Als ik de foto's op het veel te kleine schermpje van mijn telefoon probeer af te speuren, lukt het me zelfs nauwelijks bezoekers van geslacht te onderscheiden. Al is dat laatste misschien wel zo totaal melting pot non-binair en niet stigmatiserend gewenst. Je weet dat tegenwoordig niet. Je kunt van jezelf het idee hebben dat je geen enkele vormfout maakt en iemand beleefd bejegent door 'Meneer' als aanhef te bezigen; toch beland je in een bonje omdat iemand gender-verongelijkt raakt. Of je wordt gemolesteerd omdat je het versteend geraakte woord 'geslacht' in plaats van 'gender' bezigt. Persoon afgevoerd naar ziekenhuis na ruzie om hem/haar/hen. Hoe het ook zij: wat het taggen betreft – van al was het dan ook maar slechts één persoon – ben ik nog steeds kansloos.

Als ik er nu eens achterkwam wat de naam van de band is die ik nu al minuten lang zit te registreren. Dan google ik thuis de naam van het ensemble, krijg ik waarschijnlijk een verwijzing naar hun Facebook of Instagram en misschien zelfs beide. Met een beetje geluk staan ook de namen van de individuele muzikanten vermeld.

Ik druk op de stop-functie van de camera. De muziek opnemen is ineens veel minder belangrijk. Ik zoom geheel in en maak van elk bandlid een zo close mogelijke foto. Als ik er zeker van ben dat ik iedere muzikant helder in beeld heb, tracht ik te onderscheiden wie welk instrument bespeelt. Ik sluit de camerafunctie; ik open de notitie-app: links voor => sologitaar; midden voor => zang; midden achter => drums; rechts voor => basgitaar. Het stelt me gerust dat ik, door het geluid en de bewegingen van de snaarinstrumentbespelers met elkaar in overeenstemming te brengen, teminste in staat ben het onderscheid tussen solo- en basgitarist te maken. Gerustgesteld vouw ik mijn telefoon dicht en stop die in mijn rugzak. Ik voel mijn flesje water in de rugzak, haal het eruit en drink het achter elkaar leeg. Het verkwikt me nog meer. Ik draai me om en klim van het gestapelde meubilair af. Thuis zal ik uitvinden of de bandleden individueel op het wereldwijde web worden vermeld. Als dat daadwerkelijk zo is en het ook nog eens de sociale media betreft, zal ik eindelijk in mijn leven iemand kunnen taggen. En misschien zal ik daarna zelf ook ooit worden getagd.


To be tagged or not to be tagged, that's the question.


Het leven: eigenlijk is het een fluitje van een cent.

maandag 7 augustus 2023

I.M. BORIS VAN HOEK 23-2-1972 - 31-7-2023



Servetring in ouderlijk huis en Taart met afbeelding van kaft van mijn verhalenbundel cadeau gekregen


Die dingen hangen daar nog. Ga jij ze weghalen”, zeg ik tegen Boris.
   “Nee, we zijn te laat. En jij hebt ze opgehangen. Ga jij ze maar weghalen.”
   Ik hoor papa al rennend de trap opkomen. We zijn inderdaad te laat. Ik begin te betwijfelen of het een goed idee was een alarmmechanisme aan de deur naar de zolder te bevestigen.

Boris en ik delen samen de zolder. Papa heeft daar een stapelbed gebouwd. Het plafond van de zolder loopt schuin af. Het bovenste bed is daardoor wat korter dan het onderste. Boris is jonger en kleiner dan ik. Hij slaapt in het bovenste; ik in het onderste.
In het schuine dak bevindt zich pal naast Boris' bed een klein, vierkant zolderraampje. Dat kunnen we zó ver open duwen, totdat het omgekeerd op de dakpannen ligt. We moeten dat voorzichtig doen, anders breekt het glas. Inmiddels zijn we er vrij handig in geworden.

Iedere avond als we naar bed zijn gestuurd, houden we ons een tijdje stil, duwen het raampje open, leggen het voorzichtig omgedraaid op de dakpannen en klimmen vervolgens naar buiten. Als we tegen het schuine zadeldak van de buren oplopen, hebben we vanaf de nok een mooi uitzicht over de vest en op het bolwerk. Al is het zo veel jaar later niet meer vast te stellen of het uitzicht de belangrijkste reden was om het dak op te klimmen, of gewoon het feit dat het gezien onze leeftijd niet in orde was nu al in bed te liggen en we dus wel gedwongen waren om het dak op te gaan. Je kunt het ook nog eens zo beschouwen dat we destijds fysiek tenminste nog door het dakraampje pasten en dat het daarom dus dom zou zijn geweest het ijzer niet te smeden toen het heet was.

Omdat er al eens een dakpan gebroken is en we niet nog meer schade willen aanrichten, klimmen we via de buitenste dakrand naar de nok. Via de buitenste zijde, die egaal is, maar ook profiel heeft, loop je makkelijker voorovergebogen omhoog dan over de pannen, die veel gladder zijn en waarop je eerder wegglijdt. Er is wél nog een ietwat pregnant verschil tussen het midden en de rand van het dak. Als je in zijwaartse richting je evenwicht verliest, kun je op de dakpannen in twee richtingen een voet corrigerend verplaatsen; doe je dat op de dakrand in de linker richting, dan lig je ruim tien meter lager, het niet naar je zin te hebben.

Vandaar waarschijnlijk dat er beneden zo hard aan de bel is gerukt. Voorbijgangers hebben twee jongetjes halsbrekende toeren op het dak zien uithalen, konden het gevaar kennelijk iets beter inschatten dan de ventjes zelf en hebben de rol van klokkenluider op zich genomen. En nu is papa onderweg naar boven om ons duidelijk te maken dat hij niet geamuseerd is. We hebben het dakraampje niet achter ons gesloten, zie ik als we snel naar binnen zijn geklommen en in ons bed gekropen. Nu wordt ontkennen dat we op het dak zaten nog moeilijker.

Echter. Het pandemonium breekt los. Papa trekt de deur naar de zolder open en stelt daarmee het alarmmechanisme in werking. Ik heb trekrotjes met het ene uiteinde aan de deurklink, en met het andere aan de trapleuning bevestigd. Het alarm heeft zijn uitwerking. Waar hij op de trap van de begane grond naar de eerste verdieping nog stampend zijn opwachting aankondigde, blijft het – na de explosies – een tijd lang stil. Het zou zomaar kunnen dat hij is geschrokken.

Zijn uiteindelijke repercussie herinner ik me niet. Het zal niet bij een geheven vinger en een mild 'foei' zijn gebleven. De standaard straf met de pantoffel op de billen zal het ook niet zijn geweest. Posttraumatische stressstoornissen bestonden nog niet, dus die konden we ook van een gedegen pak rammel niet oplopen. Wel meen ik me te herinneren dat mijn straf net wat harder aankwam dan die van Boris. Lijkt me vanzelfsprekend. Ik was de oudste en werd het meest verantwoordelijk geacht; Boris lag in het bovenste bed en het zou logistiek bijna onverklaarbaar zijn geweest als papa eerst met zijn voeten op mijn bedrand was gaan staan om Boris van bovenuit te plukken.

We wandelen in het Waterwingebied, het duinterrein tussen Oostkapelle en Vrouwenpolder. We zijn vanochtend met de hele familie vertrokken. Inmiddels zijn er nog twee over. Boris en ik. Het zal vast zo zijn geweest dat ik een interessantere route wist en hij mij is gevolgd. Nu is het echter toch best al lang geleden dat we onze familieleden nog eens zagen. Geen nood, als we ze echt niet meer kunnen vinden, weet ik hoe we naar ons huis aan de Noordsingel in Middelburg moeten lopen. Het is een poosje wandelen, maar we komen er uiteindelijk wel.

Via Oostkapelle lopen we onderlangs de duinen naar Domburg. Ik denk de weg te weten en ik geloof dat Boris denkt dat ik de weg weet. Bij Domburg steken we middendoor, verwijderen ons van de kust en gaan Walcheren op. Het lijkt me duidelijk dat we ons op de Lange Jan richten, willen we ooit thuis raken.

Als we hier door het weiland lopen, komen we sneller aan de overkant”, zeg ik en ga alvast de omgeploegde bodem op. Boris volgt mij.
   “Laten we teruggaan en over de weg lopen. Dit schiet niet op”, brengt hij tegen mijn plan in, als we ons nog geen honderd meter over de zuigende ondergrond hebben weten voort te bewegen.
   Eigenlijk moet ik hem gelijk geven, maar ik vind dat we vol moeten houden en voor de kortste weg moeten kiezen. Dus lopen we door. Boris gaat nu zelfs wat voor mij uit.
   “Ah nee!” hoor ik hem ineens schreeuwen. Een paar meter verderop zie ik wat zijn weeklacht veroorzaakt. Een brede watergang, waar je met geen mogelijkheid overheen springt, doorsteekt het weiland. Boris gilt dat hij het nu echt niet meer leuk vindt. Ik vind het ook echt niet meer leuk. We keren om en lopen terug door het weiland, naar exact de plek waar Boris al opperde dat het misschien een beter plan was om gewoon de B-weg te blijven volgen.

Via die B-weg bereiken we Aagtekerke. We lopen verder. Na nog wat uren en nadat we ook door Grijpskerke zijn gewandeld, wordt het donker. Ik weet de juiste richting niet meer te vinden. Boris ook niet. We lopen naar een boerderij en vragen de weg naar Middelburg. Twee jonge ventjes die zo laat nog lopend onderweg zijn, wekken wellicht geen argwaan, maar toch zeker zorg. We worden binnen gevraagd, er wordt naar het ouderlijk huis gebeld, we krijgen krentenbrood met roomboter en ongeveer een uur later zijn we veilig thuis. Daar blijkt dat de politie de hele middag naar ons op zoek is geweest.

Achteraf zou je je kunnen afvragen: “Was het niet mogelijk geweest eerder de weg aan iemand te vragen?” Ja, natuurlijk. Al zou je je ook kunnen zeggen: “Als de mobiele telefoon een halve eeuw eerder was uitgevonden en courant in het gebruik was geweest, hadden we kunnen bellen en vertellen waar we uithingen.”

Als, als, als. De aanloop naar de vaststelling van Boris' longkanker en de mate waarin die zich had kunnen verspreiden hebben me verbaasd door wat hij me erover heeft verteld. Wat als hij veel eerder op kanker was gescand? Volgens mij was de pijn die hij heeft moeten doorstaan voldoende reden om hem eerder en meer uitgebreid te onderzoeken. Zou de ziekte nog in de kiem te smoren zijn geweest? Een arts schijnt hem verteld te hebben dat de diagnose van zijn longkanker sowieso te laat zou zijn geweest. Ik vraag het me af, zonder als complottheoreticus direct totaal van het tegengestelde uit te gaan. Voor de rest ga ik geen Als, als, als meer denken. As, as, as. As is een verbrand stoffelijk overschot na een crematie. As rest. Boris is een aaneenschakeling van herinneringen.

zaterdag 29 juli 2023

PACKAGE DEAL - KOEKJES VAN ANDERMANS DEEG

Waar zijn de tijden gebleven dat je gewoon stress had, je dealde ermee en ging weer verder? Maar nu? Verplicht PTSS nadien. Vanmiddag liep ik in een AH en zag zowel pakken kokosmakronen als pakken gevulde koeken in de bonusaanbieding. 

Vannacht lig ik wakker van de lekkere trek - of laat ik het beestje bij de naam noemen: 'honger' - en wil op mijn slimme telefoon nagaan of de bewuste koeken inderdaad in de bonusaanbieding zijn. Dus ik open online de bonusaanbiedingenfolder. En ja hoor, natuurlijk: geen kokosmakroon of gevulde koek te bekennen. Dat zou nog niet zo erg zijn. Met enige meditatie, yoga of de woordcombinatie 'wellness - hagelslag - cursusleider - opvanghuis' als mantra opzeggen, weet ik het ergste hongergevoel er wel onder te krijgen en met de double breathing-ademhalingsoefening moet het me ook lukken snel weer in slaap te raken. 

De wetenschap dat ik door het oplopen van bonusaanbiedingstress nu ook verplicht ben de posttraumatische bonusaanbiedingstressstoornis in de package deal te aanvaarden en de komende zes maanden ben gedwongen om er eens per week met iemand die daarvoor heeft geleerd over van gedachten te wisselen, zal me nog een poos wakker houden.
 

donderdag 13 juli 2023

SPELEN MET ETEN


 
De vleestomaten van Albert Heijn. Schaf ze in februari aan en ze kunnen nog mee in het kerstdiner van het jaar erop. Én: ze blijven er al die tijd fantastisch uitzien. Als er op één telg uit de nachtschadefamilie het predikaat 'esthetisch verantwoord' van toepassing is, is het de vleestomaat van Albert Heijn. Wat een centerfold-allure!

Helaas: de vleestomaat van Albert Heijn ontbeert iedere vorm van smaak. Als u slechts naar deze vleestomaat kijkt, onttrekt hij al vitaminen en mineralen aan het lichaam. De vleestomaat daadwerkelijk aanraken houdt in dat u onmiddellijk vitamine- en mineralenpreparaten dient bij te slikken. Het staat u vrij om op de plaats van 'preparaten' 'tegengif' te lezen.

Heeft u daadwerkelijk van de vleestomaat van Albert Heijn gegeten, neem dan contact op met uw huisarts. Deze zal u direct met een vitamine- en mineralencocktail injecteren, waarna u met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid minstens één nacht ter observatie in een hospitaalbed zult moeten doorbrengen.

Geluk bij een ongeluk: de kans op verslaving aan de vleestomaat van Albert Heijn is nihil.

woensdag 21 juni 2023

NACHTSCHADEREVOLTE


 

Goed. De tomaten komen op de markt voor een zacht prijsje in veel groteren getale opdraven dan zij bij 's lands grootste grootgrutter komen opdraven. Of ze daar nu in de bonusaanbieding zijn of niet. Nog iets merkwaardigs: ze smaken werkelijk naar tomaat. Bonusaanbiedingtomaten smaken naar zout, peper en mayonaise, mits je dat op de tomaten hebt aangebracht. Anders smaken ze naar de totale onbestendigheid, vergelijkbaar met de oneindigheid van het universum

Maar: de tomaten van de markt hebben de nare eigenschap direct na binnenkomst in de woning een ontbindingsrevolutie te ontketenen. Leg de tomaten ergens neer, ze beginnen spontaan uiteen te barsten en er verschijnen van binnenuit vreemde witte gezichten op de oppervlakken, die bij aankoop nog - min of meer - rood waren. Door de witte grimassen die de tomaten trekken, lijkt het zelfs of sommige hun tong naar me uitsteken. Het verwijderen van de mombakkesen, die kennelijk een interne staat van plezier moeten uitdrukken, levert een hoop boen-, kuis-, schrap- en schaafwerk op, zelfs als ik de tomaten slechts tot soep of saus wil verwerken.

Daarnaast doen de tomaten onderling lacherig over de heer des huizes. Ze verkneukelen zich alvast over de nachtschadeoverdosis die ik mijzelf ga toedienen. Met een beetje geluk wordt dat traumahelikopterwerk. Zelfs als ik die witte smileys van hun oppervlak hebt geveegd, presteren ze het nog om me uit te lachen. Hoe ik dat weet? Dat hoor ik toch? Ik hoor hoe ze elkaar aanmoedigen het op een fermenteren te zetten. Als ik die ontbinding langer tolereer, groeien de witte verschijnselen uit tot borden en spandoeken met daarop opruiende kretologie; lopen ze binnen de kortste keren een protestoptocht over mijn aanrecht.
Misschien gaan ze dan zelfs met nog onafgewassen bestek, borden en pannen gooien.

Ik vind het allemaal nogal rebels. ik beraad me op te nemen stappen en de daarvoor te volgen procedures. Alle tomaten weg kieperen zou een oplossing kunnen zijn.

zaterdag 17 juni 2023

GEWOON MAAR EENS EEN FILOSOFIETJE IN DE GROEP GOOIEN


Als ze in zijn tijd sociale media zouden hebben gehad, zou Immanuel Kant Kritik der reinen Vernunft nooit hebben geschreven. Geen tijd voor. Veel te vaak afgeleid. Hij had immers nog van alles te retweeten, moest bij iedere scheet een toepasselijke hashtag verzinnen en zijn pennenvruchten dienden SEO-proof te zijn. Daarnaast zou hij speciaal voor Instagram ter zake dienende afbeeldingen bij elkaar moeten zien te googlen, zonder later te kunnen worden geconfronteerd met schending van iemands copyright en betaling van een draconische vergoeding daarvoor.
Helaas bestonden er in zijn tijd nog geen sociale media. Met als resultaat dat er nog een dikke twee eeuwen lang wereldwijd wijsbegeertestudenten zijn lastig gevallen met zijn onmogelijk te bevatten theorieën, in een onnavolgbaar proza, dat is gevat in bijzin na bijzin. Terwijl diezelfde studenten zich ook nuttig hadden kunnen maken met het opbouwend bedoeld plaatsen van duimpjes op sociale media als reactie op de meest uiteenlopende faits divers.
Zou Immanuel Kant in onze tijd leven en het toch hebben kunnen opbrengen het werk te schrijven, dan zou het #Superkritik der risenreinen Megavernunft hebben geheten. Dat zou best wel een helemaal goede prestatie zijn geweest van Immanuel, met al die hedendaagse afleiding. Eine ganz tolle Leistung.